home
©

Leer onze nieuwe artistiek directeur kennen

Hij houdt van de Gentse Feesten, overdenkt werkelijk alles en heeft één dessert dat wél lukt. Maak kennis met Gregory Caers, onze nieuwe artistiek directeur.

 

10 vragen aan Gregory

Misschien van het theater, als maker of -als je al wat ouder bent- als speler. Ik heb de afgelopen jaren op heel verschillende plekken gewerkt, in België, Nederland en daarbuiten. Maar de kans is eigenlijk groter dat je me helemaal nergens van kent. En misschien is dat zelfs het fijnste uitgangspunt om kennis te maken.

Op de mensen. Zowel de mensen die er werken als de kinderen, jongeren, leerkrachten, makers en Amsterdammers die ik de komende jaren zal ontmoeten. Maar ook op het verzamelen van een inspirerende ploeg die straks prachtige voorstellingen maakt, hier in de stad en ver daarbuiten.

Want uiteindelijk is dat misschien waar ik me het meest op verheug: theater maken dat mensen bij elkaar brengt die elkaar anders misschien nooit zouden ontmoeten. Samen iets meemaken dat misschien maar heel even duurt, maar dat iedereen daarna weer meeneemt zijn eigen leven in. En wie weet verandert daar iets kleins. Een gedachte, een blik, een gesprek dat vervolgens weer iets anders in beweging zet. Zo kan één gedeelde ervaring zich als een kleine rimpeling door een hele stad verspreiden. Ik kan niet wachten om samen met iedereen bij de Toneelmakerij te ontdekken hoeveel van die rimpelingen we kunnen veroorzaken.

Ik ben Amsterdam nog volop aan het ontdekken, en eerlijk gezegd vind ik dat heerlijk. Ik woonde heel lang in een stad waarvan ik bijna iedere hoek kende. Nu mag ik opnieuw verdwalen. Deze dagen wandel ik dan ook veel door de stad, vooral om de verschillende wijken en buurten een beetje in te ademen. Te voelen hoe het er leeft, wie er woont, waar het druk wordt en waar het stilvalt. Vooral dat laatste kan ik heel prettig vinden. En natuurlijk ook met de niet geheel onbelangrijke vraag waar ik straks zelf graag zou willen wonen. Dus draai ik de vraag graag om: welke buurt, straat, plein, café, park of verborgen plek moet ik absoluut leren kennen? En waar komt er straks een woning vrij? Alle tips zijn welkom.

Overdenken. Denk ik. Nee. Zonder twijfel. Ik kan van iets wat eigenlijk een heel eenvoudige beslissing is in mijn hoofd een symposium met zeven sprekers, drie tegenargumenten en een afsluitend debat maken. Ik wil dingen nu eenmaal graag begrijpen. Al heb ik gaandeweg geleerd dat begrijpen gelukkig niet alleen met je hoofd hoeft. Mijn lichaam vertrouw ik daar soms zelfs meer in: dat weet vaak al lang wat het ergens van vindt terwijl mijn hoofd de powerpoint voor het volgende panelgesprek nog aan het voorbereiden is. Misschien hou ik daarom ook wel van dans.

Een kind moet meegenomen worden. In een verhaal, een gedachte, een beeld, een wereld die het misschien nog niet kende. En daar iets mogen ontdekken. Dat er in theater kracht te vinden is, maar evengoed troost, verwondering, kwaadheid of verdriet. Dat een gedachte die je heel alleen van jezelf waande, blijkbaar ook door iemand anders gedacht wordt. Of dat iets waarvoor je zelf nog geen woorden had, ineens voor je neus verschijnt.

En misschien is dat voor mij wel het belangrijkste: dat een kind zo’n ervaring niet alleen beleeft. Er zitten anderen naast die hetzelfde hebben gezien en toch misschien iets heel anders hebben gevoeld. Daardoor kan een voorstelling iets openen wat daarna verder kan gaan: een gesprek, een vraag, een blik naar iemand naast je, het besef dat je met wat je denkt of voelt bij een ander terechtkunt.

Een kind zal dat natuurlijk nooit zo theoretisch ervaren. Gelukkig maar. Het wordt gewoon een uur lang meegenomen door iets wat spannend, grappig, vreemd, mooi of ontregelend is. Maar als we het goed doen, blijft daar iets van achter. Soms een beeld, soms een gevoel, soms een gedachte die pas veel later weer opduikt. En sommige voorstellingen draag je, zonder dat je het op dat moment weet, de rest van je leven met je mee.

Om absurditeit. Om mensen die bloedserieus blijven terwijl de situatie steeds krankzinniger wordt. Om heel droge humor. En helaas ook behoorlijk vaak om dingen waar je op dat moment eigenlijk helemaal niet om hoort te lachen.

Volgens mijn zonen ben ik het allerbest in wat we in België ‘flansen’ noemen: kijken wat er nog in de koelkast ligt en daarmee beginnen, zonder vooraf precies te weten waar je gaat eindigen. Een beetje freewheelen dus. Als mijn zonen vragen wat we eten en ik antwoord: “Nog geen idee hoe het heet”, schuiven ze meestal vol verwachting aan.

En waar ik niks van bak? Letterlijk: bakken. Gebak en desserts mislukken bij mij met een bijna indrukwekkende regelmaat. Er is één uitzondering: de appeltaart van mijn grootmoeder. Haar recept krijg ik wonderlijk genoeg wél voor elkaar.

Als kind woonde ik niet zo ver van een theater waarvan de directrice familie was. In de vakanties wandelde ik er graag naar binnen op momenten dat er nog helemaal niets te beleven viel. Ik ging dan op het lege podium zitten, half in het donker, met die enorme stilte om me heen. Voor me al die lege stoelen waarvan ik wist dat er later die dag mensen in zouden zitten. Dat vond ik magisch. Misschien zelfs nog magischer dan wanneer er wél iets gebeurde. Die lege ruimte waarin nog alles mogelijk was.

Oei.

De politiek verstandige keuze als kersverse artistiek directeur in Nederland lijkt me het Nederlands Theater Festival.

Dus: Gentse Feesten.

Met mezelf, één dag voor ik doodga. Ik zou ontzettend benieuwd zijn naar die man. Naar wat hij uiteindelijk belangrijk is gaan vinden, waar hij spijt van heeft, waar hij nog steeds om moet lachen en wat hij mij vooral zou aanraden om vanaf morgen anders te doen.

Al zou ik hem misschien eerst vragen of hij me alsjeblieft niet wil vertellen wanneer we elkaar opnieuw zullen ontmoeten.